Lees een fragment uit Code Kattenkruid

LEES EEN FRAGMENT UIT CODE KATTENKRUID

De nieuwe jeugdroman Code Kattenkruid van Jacques Vriens is verschenen. Dit boek vertelt een bijzonder verhaal over de twaalfjarige Stijn en zijn opa.

Stijn en opa zijn twee handen op een buik. Binnenkort gaan ze samen een driedaagse fietstocht maken. Dan krijgt opa te horen dat hij een ernstige ziekte heeft. Tijdens de bijzondere fietstocht delen Stijn en opa geheimen met elkaar. Wanneer uiteindelijk het afscheid komt, valt het voor Stijn en opa minder zwaar dan ze dachten.  

Jacques Vriens vertelt met Code Kattenkruid een invoelbaar verhaal over het gevoelige levensthema euthanasie. Hieronder vind je een leesfragment uit het boek.

Fragment uit Code Kattenkruid:

‘Vandaag hebben ze me verteld,’ zei opa, ‘dat er een krab in mijn lijf zit. Eentje met acht poten, twee gemene scharen en kleine valse oogjes. Elke dag maakt hij mij een klein beetje zieker en daar zingt hij een vrolijk liedje bij.’
Met zijn mooie donkere basstem begon hij te zingen:

‘Marinus, het is mooi geweest.
Je bent nu bijna honderd.
Dit is het einde van het feest.
Niemand wordt uitgezonderd!’

‘Je bent pas negenenzeventig,’ zei mijn moeder.
‘Anders rijmt het niet,’ zei opa.
Tante Yvon en oom Laurence kwamen terug van de gang en gingen zwijgend aan de grote tafel zitten.
Ik pakte opa’s hand, kneep er zachtjes in en zei: ‘Je moet wel honderd worden, hoor!’
Heel even verdwenen de ondeugende lichtjes uit zijn ogen. ‘Het spijt me jochie, de honderd haal ik niet meer. Maar zolang dit ouwe lijf nog wil en die krab het me niet te moeilijk maakt, gaan we samen leuke dingen doen.’ Hij stond op. ‘Kom, we moeten de eendjes weer eens voeren.’
‘Nou ja!’ riep oudtante Miep verongelijkt.
Mijn moeder mopperde: ‘Pap, we zijn hier niet voor niets.’
‘Mereltje, ik vind het heel lief van je dat je er vanmorgen bij was in het ziekenhuis. Maar het is onzin dat je daarna de hele familie hebt opgetrommeld. Ja, ik ben ziek, zegt de dokter. En ik word nog zieker en ga dood, maar vandaag nog niet.’
‘Er is toch nog hoop,’ piepte tante Yvon.
‘Ik ben wel oud maar niet gek, Yvon. Die dokter was heel eerlijk. Hij zei zoiets als: “Beste meneer Beekmans, ik geef je een kleine kans.” Ook dat rijmt.’
Mijn moeder protesteerde. ‘Hij had het ook over chemotherapie en bestralen. Dat zou hij niet zeggen als er geen hoop zou zijn.’
‘Niks daarvan! Daar ga je van kotsen en je krijgt een blotebillenkop. Daar heb ik geen zin in.’
Tante Miep gaf een felle tik met haar stok op de grond en snauwde: ‘Marinus Beekmans, gedraag je, je mag niet spotten met leven en dood. En ik wil het woord “kotsen” niet horen.’
‘Het valt tegenwoordig reuze mee,’ probeerde mijn moeder nog.
‘Wat?’ vroeg opa kortaf.
‘Van die kop en dat… dat kotsen.’ Mijn moeder durfde het bijna niet te herhalen. Het klonk erg grappig uit haar mond.
Mijn vader mompelde: ‘Je kunt ook “vomeren” zeggen in plaats van kotsen.’ Hij is net een wandelend woordenboek.
Opa stond op, pakte mij bij de hand en trok me de kamer uit. Ik maakte een hulpeloos gebaar naar de familie, alsof ik eigenlijk niet weg wilde. In de gang hoorden we oudtante Miep nog roepen: ‘Belachelijk, eendjes voeren. Dat Stijn dat nog wil!’
Opa knipoogde naar mij, terwijl hij zijn jas aantrok en zijn pet opzette.
‘Eendjes voeren’ was één van onze geheime codes; we gingen iets heel anders doen.